REISVERHALEN EN REPORTAGES

 
 

Als mijn blik van de bruine plafondbalken is afgezakt naar het schilderij, staren de grote ogen van een middeleeuwse prins me aan. Flarden komen terug. Prins Vlad. Dracula. Alle Toten Gelten…  Alle doden tellen mee. Hardnekkig blijft het zinnetje hangen.


Het is kerst. In een poging de opdringerige gelukzaligheid van deze dagen te ontvluchten, ben ik afgereisd naar het Roemeense burchtstadje Sighisaora. De geboorteplaats van de vijftiende eeuwse Vlad Tepes, de prins van het schilderij. De prins is de zoon van de Roemeense held Vlad Dracul. De gruwelen uit zijn leven van de legendarisch Vlad inspireerde de Ierse Bram Stoker tot het scheppen van de even gruwelijke als tragische graaf Dracula.


De dood van mijn geliefde, door een auto-ongeluk, heeft mijn leven op zijn kop gezet. Het lotsgeweld sloeg hard toe. Ook kerst kan die niet helen. Niet dit jaar. Ik moest er tussenuit. Stoker’s Dracula bracht me naar het hart van Roemenië. Intrigerende volksverhalen over prinsen, sultans en vampieren en een beetje afzien, dat zou me afleiden.

Dat was ook zo. Ik heb me dusver prima vermaakt in de Transsylvaanse bergdorpen, lange tijd een slagveld van keizerrijken, nu een ruig gebied waar bezorgde oude vrouwtjes tijdens karrentochten je handen verwarmen en je volstoppen met kaas en worst.


Ik draai me om. In een versneld tempo draait mijn hoofd mee. Het is duidelijk beter om vandaag de dorpswijn te laten staan. De reis verliep prima. Totdat ik gisteren opeens stond te treuren op een kerkhof tijdens een poging sporen van Vlad te vinden. Een mooi kerkhof, dat wel.

Alle Toten Gelten… Deze tekst stond op een herdenkingszuil. De woorden troffen me. Daar stond ik dan, snikkend in een morsig naaldbos tussen begroeide grafzerken met een brochure over prins Vlad en een toeristische Dracula-mok in mijn rugzak. Alle doden tellen mee. Waar zijn ze dan? Het verdriet greep me naar de keel. Wijn bracht verlichting.

Langzaam richt ik me op. Ik sla de dekens opzij en haal diep adem. Goed. Opstaan, tas inpakken.


Tijden veranderen. Ook in Roemenië. Nadat dictator Ceausescu in 1989 samen met zijn gehate vrouw voor de ogen van de wereld was geëxecuteerd, konden de Roemenen kennisnemen van ideeën uit het Westen. Zo begrepen ze tot hun schrik dat Dracula niet de Westerse geschiedenis was ingegaan als dappere Roemeense prins, maar als helse bloedzuiger, een bizarre cultfiguur. De Roemenen zullen niet ontkennen dat prins Tepes, ofwel Vlad de Spietser, geen lieverdje was. Hij spietste zijn tegenstanders levend op palen langs de weg, zodat ze een langzame pijnlijke dood stierven. Er bestaat zelfs een middeleeuwse tekening waarop Vlad bloeddorstig zijn maal nuttigt onder een rij kermende gespietste vijanden. Vlad Tepes was een wreed heerser, maar voor Roemenen is hij een nationale held, omdat hij een van de weinigen was, die de Turkse indringers wist te verslaan.


Hoewel de Roemenen naarstig proberen de romanfiguur Dracula en hun historische held uit elkaar te houden, is de eerste Dracula-merchandise al gesignaleerd. Er zijn zelfs plannen om een Dracula-pretpark te bouwen. Vooralsnog stuit dit op veel weerstand. Dracula blijft voorlopig vooral een West-Europese aangelegenheid. Stoker’s Dracula heeft namelijk meer te maken met de 19de eeuwse Engelse fascinatie voor het duistere in de mens dan met Roemenië. Engeland beleefde een roerige tijd van uitvindingen en ontdekkingen. Het wereldrijk kreeg te maken met Aziaten, Afrikanen en allerlei andere lieden die ze niet begrepen en hen angst inboezemden. De kijk op de mens veranderde. Freud en Darwin publiceerden hun ideeën. De mens had een onderbewustzijn, gevormd in miljoenen jaren. Welke afgrijselijke geheimen zouden wel niet in ons brein verstopt zitten?

Maar Victoriaanse mannen waren pas écht bang voor de moderne vrouw. Onafhankelijke, seksueel bewuste vrouwen zouden de maatschappij ontwrichten. Vrouwen dienden te worden ingesnoerd, zodat ze zich niet zouden overgeven aan lustgevoelens en andere ondeugden. Seks was een van de grootste taboes. Een duivels kwaad. Maar ook toen gold: verboden vruchten zijn verleidelijk spannend. In seksueel onderdrukt Engeland sloeg de wellustig zuigende Dracula dan ook in als een bom.


Zelf heb ik meer op met de Hollywood-Dracula van Francis Coppola. Deze Dracula staat voor onvervuld verlangen. Hij is niet alleen maar slecht, maar heeft ook lief. Hij is een getraumatiseerde vampier, gedoemd tot eeuwig bloed zuigen. Op een beslissend moment besluit hij Mina, een reïncarnatie van een verloren liefde, niet te bijten, zodat hij haar behoedt om ook een ondode te worden. Hij offert zich op. Dracula is een postmoderne tragische held geworden, een persoon van vlees en bloed die gebukt gaat onder zijn noodlot. Want wat is erger dan doodgaan? Juist. Achterblijven.


Dikke sneeuwvlokken leggen het burchtstadje onder een witte deken. Ik snel me naar het station. In de trein is het zo koud dat ik mijn muts ophoud. Zodra we vertrekken, trekt de vrieskou nog eens extra genadeloos door de coupé. De familie met wie ik de ruimte deel toveren de coupé om tot een picknickparadijs. Terwijl de man met zijn knokige werkhanden de worst ontvelt, hangen zijn dochters bloemetjes aan het raamkozijn. Het zoontje, een baby nog, ligt op zijn schoot. Gekweld door een katerige stemming kijk ik zwijgend toe. Liever geen gesprek. Gelukkig is het een familie van weinig woorden. De vrouw, een stevige moeder met matroesjka blosjes, arrangeert de tassen en maakt in het midden van de coupé een tafel, waarop ze de broodjes neerzet. Dan legt ze dekens over haar dochters en mij heen en gebaart ons rechtop te zitten en het brood te eten. Dankbaar voor de zorgzaamheid laat ik me de bollen smaken. Getroost kom ik aan in Targoviste, een stadje ten zuiden van de Karpaten, waar prins Vlad in zijn belangrijkste jaren hof hield.


Omdat er na de revolutie nauwelijks nieuwe hotels gebouwd zijn, zit er niets anders op dan te overnachten in een groot communistisch betonnen flatgebouw, dichtbij de plek waar Ceausescu tijdens zijn vluchtpoging is opgepakt. Drie besnorde Turkse zakenmannen laten me bij het inchecken voorgaan. De leider, een vadsige man met een ongepast geile uitstraling, hangt met zijn buik over de balie om mijn incheckroutine mee te luisteren. Als ik naar de goedkoopste kamer vraag, haalt hij met een groots gebaar zijn portemonnee te voorschijn en probeert in een onderonsje met de baliemedewerker een mooiere kamer voor me te regelen.

‘Dat hoeft niet, hoor,’ roep ik snel. ‘Ik betaal mijn eigen kamer.’

‘Geen sprake van,’ dondert de man. ‘Wij Turken doen goede zaken. Graag willen we je kamer betalen.’ Dramatisch laat hij een pauze vallen en geeft me een sexy bedoelde knipoog. ‘Als je wat met ons gaat drinken.’

In lichte wanhoop richt ik mijn blik op zijn collega, een bedaarde blonde Turk.

‘Imed, laat haar nou zelf betalen.’

Collega Imed zucht nukkig, maar geeft toe en doet zijn geld terug in zijn portemonnee.

‘Wat doe je hier eigenlijk?’ vraagt de blonde man vriendelijk.

‘Ik ben op vakantie,’ antwoord ik. ‘Het hof van prins Vlad bekijken.’

Imed veert op van de balie. ‘Ah!’roept hij. ‘Prins Vlad, die onze landgenoten in de pan heeft gehakt! Wist je dat het niet veel gescheeld had, of alle Europeanen hadden nu Turks gesproken? De Ottomanen waren onoverwinnelijk.’

‘Ik hoorde dat toeristen denken dat Vlad een bloedzuiger is,’ zegt de blonde man, zijn collega negerend.

‘Het verhaal Dracula is gebaseerd op prins Vlad,’ zeg ik.

Dan ontbloot Imed zijn tanden en gromt. Ik deins terug, maar het is te laat. Aangemoedigd door het gegiechel van de derde collega, een kleine gedrongen man, buigt hij naar voren en bijt in mijn nek.

De blonde man zucht. ‘Sorry. Als je later nog iets wilt drinken, dan kun je ons vinden in de buurtkroeg.’


Die avond, als de communistische naargeestigheid van het hotel zich aan me opdringt, en ik bijna in de verleiding kom het gezelschap van de Turken op te zoeken, besluit ik de mis in de nabijgelegen Orthodoxe kerk bij te wonen. Ik heb nooit begrepen wat mediteren nou precies is, maar wegdromen op Byzantijnse melodieën, die heen en weer wiegen tegen het goudbeslag van de enorme koepel, zal wel in de buurt komen. Rust. Gelouterd ga ik terug naar mijn kamer.


Als ik mijn pyjama aan wil doen, wordt er op de deur gebonkt. Er is geen kijkgaatje. Vertwijfeld doe ik open. ‘Goedenavond!’ Ik kijk in het dronken gezicht van Imed, nu in een zwart Dracula kostuum, compleet met hoektanden. Achter hem staat de gedrongen collega. Hij heeft zich verkleed als een onduidelijke kerstman en rinkelt besmuikt een koperen bel. De blonde Turk schudt verontschuldigend zijn hoofd. Hij weet wat er komen gaat. Dan opent Dracula met een zwalkend sprongetje zijn cape. Wankelend toont hij zijn klokkenspel dat onder zijn dikke blote buik bungelt. ‘Surprise!’


Gierend van de lach sla ik de deur dicht. Dat banaliteiten zo helend kunnen zijn. Grinnikend stap ik in bed. Het is genoeg geweest. Ik wil weer naar huis.

 

De tragiek van Dracula en andere kwellingen

Roemeens reisverhaal

Festival Noodlot

Literair magazine Urban Myth

Stadsschouwburg Amsterdam

april 2007